Jehovah God vernietigt de trotse Farao en het Egyptische leger in de Rode Zee

Hoofdstuk 6

Vernietigingskracht  „Jehovah is een manlijk persoon van oorlog”

DE ISRAËLIETEN zaten in de val — ingeklemd tussen ontoegankelijke steile rotsen en een niet over te steken zee. Het Egyptische leger, een meedogenloze moordmachine, zat hen op de hielen, vastbesloten hen te vernietigen.* Niettemin drong Mozes er bij Gods volk op aan de hoop niet te verliezen. „Jehovah zal zelf voor u strijden”, verzekerde hij hun. — Exodus 14:14.

2 Toch riep Mozes kennelijk luid tot Jehovah, en God antwoordde: „Waarom blijft gij luid tot mij roepen? . . . Hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar in tweeën” (Exodus 14:15, 16). Stel je eens voor wat er dan gebeurt. Jehovah geeft onmiddellijk zijn engel een bevel, en de wolkkolom verplaatst zich naar Israëls achterhoede, spreidt zich wellicht uit als een muur en blokkeert de Egyptische aanvalslinie (Exodus 14:19, 20; Psalm 105:39). Mozes strekt zijn hand uit. Opgejaagd door een sterke wind splijt de zee in tweeën. De wateren stollen op de een of andere manier en staan als een muur overeind, zodat er een pad openvalt dat breed genoeg is om de hele natie doorgang te verlenen! — Exodus 14:21; 15:8.

3 Geconfronteerd met deze tentoonspreiding van kracht zou Farao eigenlijk zijn troepen moeten bevelen zich terug te trekken. In plaats daarvan geeft de trotse Farao het bevel tot de aanval (Exodus 14:23). De Egyptenaren stormen in hun achtervolging de zeebedding op, maar hun aanval wordt al snel chaotisch wanneer de wielen van hun wagens eraf beginnen te vallen. Zodra de Israëlieten veilig aan de overkant zijn, gebiedt Jehovah Mozes: „Strek uw hand uit over de zee, opdat de wateren terugkeren over de Egyptenaren, hun strijdwagens en hun ruiters.” De muren van water storten ineen en bedelven Farao en zijn strijdkrachten! — Exodus 14:24-28; Psalm 136:15.

4 De bevrijding van de natie Israël bij de Rode Zee was een gedenkwaardige gebeurtenis in de geschiedenis van Gods bemoeienissen met de mensheid. Daar betoonde Jehovah zich „een manlijk persoon van oorlog” (Exodus 15:3). Maar wat is jouw reactie op deze beschrijving van Jehovah? Eerlijk gezegd heeft oorlog de mensheid veel pijn en ellende gebracht. Zou het feit dat Jehovah vernietigingskracht gebruikt je kunnen afschrikken in plaats van aanmoedigen om dicht tot hem te naderen?

Gods oorlogen vergeleken met menselijke conflicten

5 Bijna 300 keer in de Hebreeuwse Geschriften en twee keer in de christelijke Griekse Geschriften krijgt God de titel „Jehovah der legerscharen” (1 Samuël 1:11). Als Soevereine Heerser voert Jehovah het bevel over een enorm leger van engelen (Jozua 5:13-15; 1 Koningen 22:19). Het vernietigend vermogen van dit leger is ontzagwekkend (Jesaja 37:36). De gedachte aan de vernietiging van mensen is niet prettig. Maar we moeten bedenken dat Gods oorlogen niet te vergelijken zijn met de kleingeestige conflicten van mensen. Militaire en politieke leiders proberen wellicht edele motieven aan hun agressie toe te schrijven. Maar menselijke oorlogen hebben altijd met hebzucht en zelfzucht te maken.

6 Jehovah wordt daarentegen niet door blinde emotie gedreven. Deuteronomium 32:4 verklaart: „De Rots, volmaakt is zijn activiteit, want al zijn wegen zijn gerechtigheid. Een God van getrouwheid, bij wie geen onrecht is; rechtvaardig en oprecht is hij.” Gods Woord veroordeelt ongebreidelde woede, wreedheid en geweld (Genesis 49:7; Psalm 11:5). Jehovah treedt dus nooit zonder reden handelend op. Hij gebruikt zijn vernietigingskracht spaarzaam en pas in laatste instantie. Het is zoals hij bij monde van zijn profeet Ezechiël zei: „’Schep ik ook maar enigszins behagen in de dood van een goddeloze’, is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’en niet daarin dat hij zou terugkeren van zijn wegen en werkelijk zou blijven leven?’” — Ezechiël 18:23.

7 Waarom maakt Jehovah dan gebruik van vernietigingskracht? Voordat we die vraag beantwoorden, zouden we aan de rechtvaardige man Job kunnen denken. Satan trok in twijfel dat Job — en eigenlijk ieder mens — onder beproeving zijn rechtschapenheid zou bewaren. Jehovah beantwoordde die uitdaging door Satan toe te staan Jobs rechtschapenheid op de proef te stellen. Het gevolg was dat Job ziek werd, zijn rijkdom kwijtraakte en zijn kinderen verloor (Job 1:1–2:8). Omdat Job niet besefte welke strijdvragen erbij betrokken waren, trok hij ten onrechte de conclusie dat zijn lijden een onrechtvaardige straf van God was. Hij vroeg God waarom Hij hem tot een „doelwit”, „een vijand”, had gemaakt. — Job 7:20; 13:24.

8 Een jonge man genaamd Elihu legde de fout in Jobs redenatie bloot door te zeggen: „Gij hebt gezegd: ’Mijn rechtvaardigheid is groter dan die van God’” (Job 35:2). Ja, het is onverstandig te denken dat wij het beter weten dan God of te veronderstellen dat hij oneerlijk heeft gehandeld. „Verre zij het van de ware God wetteloos te handelen, en van de Almachtige onrechtvaardig te handelen”, verklaarde Elihu. Later zei hij: „Wat de Almachtige aangaat, wij hebben hem niet doorgrond; hij is verheven in kracht, en gerechtigheid en overvloed van rechtvaardigheid zal hij niet geringachten” (Job 34:10; 36:22, 23; 37:23). We kunnen er zeker van zijn dat wanneer God strijdt, hij daar een goede reden voor heeft. Laten we met dat in gedachten eens enkele van de redenen onderzoeken waarom de God van vrede soms de strijdbijl opneemt. — 1 Korinthiërs 14:33.

Waarom de God van vrede genoodzaakt is te strijden

9 Na God als „een manlijk persoon van oorlog” te hebben geprezen, verklaarde Mozes: „Wie onder de goden is als gij, o Jehovah? Wie is als gij, die u machtig betoont in heiligheid?” (Exodus 15:11) En ook de profeet Habakuk schreef: „Gij zijt te zuiver van ogen om het kwaad te zien; en moeite aanzien kunt gij niet” (Habakuk 1:13). Jehovah is een God van liefde, maar hij is ook een God van heiligheid, rechtvaardigheid en gerechtigheid. Soms noodzaken die eigenschappen hem zijn vernietigingskracht te gebruiken (Jesaja 59:15-19; Lukas 18:7). God werpt dus geen smet op zijn heiligheid wanneer hij strijdt. Nee, hij strijdt omdat hij heilig is. — Exodus 39:30.

10 Denk eens aan de situatie die ontstond nadat het eerste mensenpaar, Adam en Eva, tegen God in opstand was gekomen (Genesis 3:1-6). Had Jehovah hun onrechtvaardigheid getolereerd, dan zou hij zijn eigen positie als Universele Soeverein hebben ondermijnd. Als een rechtvaardige God was hij verplicht hen ter dood te veroordelen (Romeinen 6:23). In de eerste bijbelprofetie voorzei hij dat er vijandschap zou bestaan tussen zijn eigen dienstknechten en de volgelingen van de „slang”, Satan (Openbaring 12:9; Genesis 3:15). Uiteindelijk zou deze vijandschap alleen opgelost kunnen worden door Satan te verbrijzelen (Romeinen 16:20). Maar die oordeelsvoltrekking zou grote zegeningen voor de rechtvaardige mensheid tot gevolg hebben doordat ze de aarde van Satans invloed zou bevrijden en de weg zou openen voor een wereldomvattend paradijs (Mattheüs 19:28). Tot die tijd zouden degenen die de kant van Satan kozen een voortdurende bedreiging vormen voor het fysieke en geestelijke welzijn van Gods volk. Af en toe zou Jehovah moeten ingrijpen.

God grijpt in om goddeloosheid te verwijderen

11 De grote vloed in Noachs tijd was een voorbeeld van zo’n ingreep. Genesis 6:11, 12 zegt: „De aarde werd verdorven voor de ogen van de ware God en de aarde werd met geweldpleging vervuld. God zag de aarde dus en zie! ze was verdorven, want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven.” Zou God toelaten dat de goddelozen het laatste spoortje moraliteit dat er nog op aarde was zouden verstikken? Nee. Jehovah voelde zich verplicht de aarde door een wereldomvattende vloed te bevrijden van degenen die op geweld en immoraliteit uit waren.

12 Zo was het ook met Gods oordeel tegen de Kanaänieten. Jehovah onthulde dat er uit Abraham een „zaad” zou voortkomen door bemiddeling waarvan alle families der aarde zich zouden zegenen. In overeenstemming met dat voornemen besloot God dat Abrahams nakomelingen het land Kanaän zouden krijgen, een land dat werd bewoond door een volk met de naam Amorieten. Hoe valt het te rechtvaardigen dat God deze mensen met geweld uit hun land verdreef? Jehovah voorzei dat het nog zo’n 400 jaar zou duren voordat ze verdreven zouden worden — totdat „de dwaling van de Amorieten” „tot voltooiing [was] gekomen”* (Genesis 12:1-3; 13:14, 15; 15:13, 16; 22:18). In die periode zonken de Amorieten steeds dieper in morele verdorvenheid weg. Kanaän werd een land van afgoderij, bloedvergieten en ontaarde seksuele praktijken (Exodus 23:24; 34:12, 13; Numeri 33:52). De bewoners van het land doodden zelfs kinderen in offervuren. Zou een heilige God zijn volk aan een dergelijke goddeloosheid kunnen blootstellen? Nee! Hij verklaarde: „Dientengevolge is het land onrein, en ik zal het straf doen ondergaan voor zijn dwaling, en het land zal zijn bewoners uitbraken” (Leviticus 18:21-25). Jehovah doodde de mensen echter niet zonder aanzien des persoons. Kanaänieten met een juiste gezindheid, zoals Rachab en de Gibeonieten, werden gespaard. — Jozua 6:25; 9:3-27.

God strijdt ten behoeve van zijn naam

13 Omdat Jehovah heilig is, is zijn naam heilig (Leviticus 22:32). Jezus leerde zijn discipelen bidden: „Uw naam worde geheiligd” (Mattheüs 6:9). De opstand in Eden ontwijdde Gods naam door Gods reputatie en wijze van regeren in twijfel te trekken. Jehovah kon een dergelijke laster en opstand nooit over zijn kant laten gaan. Hij was verplicht zijn naam van smaad te zuiveren. — Jesaja 48:11.

14 Denk nog eens aan de Israëlieten. Zolang ze slaven in Egypte waren, leek Gods belofte aan Abraham dat alle families der aarde zich door bemiddeling van zijn Zaad zouden zegenen, een loze belofte. Maar door hen te bevrijden en hen tot een natie te maken, zuiverde Jehovah zijn naam van smaad. De profeet Daniël zei daarom in gebed: ’O Jehovah onze God, gij hebt uw volk met een sterke hand uit het land Egypte geleid en u vervolgens een naam gemaakt.’ — Daniël 9:15.

15 Interessant is dat Daniël dit bad in een tijd waarin de joden het nodig hadden dat Jehovah opnieuw handelend zou optreden ten behoeve van Zijn naam. De ongehoorzame joden bevonden zich in gevangenschap, ditmaal in Babylon. Hun eigen hoofdstad, Jeruzalem, lag in puin. Daniël wist dat wanneer de joden weer naar hun eigen land zouden terugkeren, dit Jehovah’s naam groot zou maken. Daarom bad Daniël: „O Jehovah, vergeef toch. O Jehovah, schenk toch aandacht en handel. Stel niet uit, ter wille van uzelf, o mijn God, want uw eigen naam is over uw stad en over uw volk uitgeroepen.” — Daniël 9:18, 19.

God strijdt ten behoeve van zijn volk

16 Betekent Jehovah’s belangstelling voor het verdedigen van zijn naam dat hij koel en zelfzuchtig is? Nee, want door in overeenstemming met zijn heiligheid en zijn liefde voor gerechtigheid te handelen, beschermt hij zijn dienstknechten. Kijk eens in Genesis hoofdstuk 14. Daar lezen we over vier binnenvallende koningen die Abrahams neef Lot en diens gezin ontvoerden. Met Gods hulp bracht Abraham deze veruit superieure strijdkrachten een verpletterende nederlaag toe! Het verslag van deze overwinning was waarschijnlijk het eerste dat werd opgetekend in „het boek van de Oorlogen van Jehovah”, kennelijk een boek waarin ook enkele militaire confrontaties zijn opgenomen die niet in de bijbel staan (Numeri 21:14). Er zouden nog veel meer overwinningen volgen.

17 Kort voordat de Israëlieten het land Kanaän binnentrokken, verzekerde Mozes hun: „Jehovah, uw God, is degene die voor u uit gaat. Hij zal voor u strijden overeenkomstig alles wat hij in Egypte . . . met u heeft gedaan” (Deuteronomium 1:30; 20:1). Te beginnen met Mozes’ opvolger, Jozua, en gedurende heel de periode van de rechters en de regeringen van de getrouwe koningen van Juda heeft Jehovah inderdaad voor zijn volk gestreden en hun veel spectaculaire overwinningen op hun vijanden gegeven. — Jozua 10:1-14; Rechters 4:12-17; 2 Samuël 5:17-21.

18 Jehovah is niet veranderd; evenmin is zijn voornemen om van deze planeet een vredig paradijs te maken veranderd (Genesis 1:27, 28). God haat goddeloosheid nog steeds. Tegelijkertijd houdt hij heel veel van zijn volk, en hij zal binnenkort ten behoeve van hen handelend optreden (Psalm 11:7). Ja, de vijandschap die in Genesis 3:15 wordt beschreven, zal in de nabije toekomst naar verwachting een spectaculair en gewelddadig keerpunt bereiken. Om zijn naam te heiligen en zijn volk te beschermen, zal Jehovah opnieuw „een manlijk persoon van oorlog” worden! — Zacharia 14:3; Openbaring 16:14, 16.

19 Ter illustratie: Stel dat een gezin door een gevaarlijk beest wordt aangevallen en dat de man de strijd met het gewelddadige beest aanbindt en het doodt. Zou je verwachten dat deze daad zijn vrouw en kinderen afschrikt? Integendeel; je zou verwachten dat ze geroerd zijn door zijn onzelfzuchtige liefde voor hen. Zo dient het ons evenmin af te schrikken wanneer God vernietigingskracht gebruikt. Zijn bereidheid om te strijden ter bescherming van ons moet onze liefde voor hem doen toenemen. Ook dient het ons respect voor zijn onbegrensde kracht te verdiepen. Aldus kunnen we ’heilige dienst voor God verrichten met godvruchtige vrees en ontzag’. — Hebreeën 12:28.

Nader dicht tot de ’manlijke persoon van oorlog’

20 Natuurlijk verklaart de bijbel niet in alle gevallen elk detail van Jehovah’s beslissingen in verband met zijn oorlogvoering. Maar van één ding kunnen we altijd zeker zijn: Jehovah wendt vernietigingskracht nooit op een onrechtvaardige, boosaardige of wrede manier aan. Vaak kan het beschouwen van de context van een bijbelverslag of enige achtergrondinformatie ons helpen de dingen in het juiste perspectief te zien (Spreuken 18:13). Ook wanneer we niet alle details weten, kan alleen al het beter leren kennen van Jehovah en het mediteren over zijn schitterende eigenschappen ons helpen eventuele twijfels die rijzen, weg te nemen. Wanneer we dit doen, gaan we inzien dat we alle reden hebben om onze God, Jehovah, te vertrouwen. — Job 34:12.

21 Hoewel Jehovah „een manlijk persoon van oorlog” is wanneer de situatie dat vereist, betekent dit niet dat hij in wezen oorlogszuchtig is. In Ezechiëls visioen van de hemelse wagen wordt Jehovah afgebeeld als iemand die erop voorbereid is tegen zijn vijanden te strijden. Toch zag Ezechiël dat God omgeven was door een regenboog — een symbool van vrede (Genesis 9:13; Ezechiël 1:28; Openbaring 4:3). Jehovah is beslist kalm en vredelievend. „God is liefde”, schreef de apostel Johannes (1 Johannes 4:8). Al Jehovah’s eigenschappen zijn volmaakt in evenwicht met elkaar. Wat zijn we dus bevoorrecht dicht te kunnen naderen tot zo’n sterke maar toch liefdevolle God!

[Voetnoten]

Volgens de joodse geschiedschrijver Josephus werden de Hebreeën nagezet door „zeshonderd wagens, vijftig-duizend ruiters en tweemaal honderd-duizend zwaargewapenden [infanteristen]”. — Joodsche oudheden, II, xv, 3, volgens de bewerking van dr. W. A. Terwogt.

Kennelijk omvat de term „Amorieten” hier alle volken van Kanaän. — Deuteronomium 1:6-8, 19-21, 27; Jozua 24:15, 18.

Vragen ter meditatie

2 Koningen 6:8-17 Hoe kan Gods rol als „Jehovah der legerscharen” in tijden van nood aanmoedigend voor ons blijken te zijn?

Ezechiël 33:10-20 Welke gelegenheid geeft Jehovah barmhartig aan degenen die zijn wet overtreden, voordat hij ten slotte vernietigingskracht gebruikt?

2 Thessalonicenzen 1:6-10 Hoe zal de komende vernietiging van goddeloze mensen verlichting betekenen voor getrouwe dienstknechten van God?

2 Petrus 2:4-13 Wat beweegt Jehovah ertoe zijn vernietigingskracht aan te wenden, en wat kan de hele mensheid hieruit leren?

[Studievragen]

1-3. (a) Met welke bedreiging van de zijde van de Egyptenaren werden de Israëlieten geconfronteerd? (b) Hoe streed Jehovah voor zijn volk?

 4. (a) Wat bleek Jehovah bij de Rode Zee te zijn? (b) Hoe zouden sommigen op deze beschrijving van Jehovah kunnen reageren?

5, 6. (a) Waarom wordt God terecht „Jehovah der legerscharen” genoemd? (b) Hoe verschilt goddelijke oorlogvoering van menselijke oorlogvoering?

7, 8. (a) Welke conclusie trok Job ten onrechte in verband met zijn lijden? (b) Hoe corrigeerde Elihu Jobs denkwijze in dit opzicht? (c) Wat kunnen we van Jobs ervaring leren?

 9. Waarom strijdt de God van vrede?

10. (a) Wanneer en hoe ontstond voor God voor het eerst de noodzaak om oorlog te voeren? (b) Hoe alleen zou de in Genesis 3:15 voorzegde vijandschap opgelost kunnen worden, en met welke goede gevolgen voor de rechtvaardige mensheid?

11. Waarom voelde God zich verplicht een wereldomvattende vloed te brengen?

12. (a) Wat voorzei Jehovah met betrekking tot Abrahams „zaad”? (b) Waarom moesten de Amorieten worden uitgeroeid?

13, 14. (a) Waarom was Jehovah verplicht zijn naam te heiligen? (b) Hoe zuiverde Jehovah zijn naam van smaad?

15. Waarom redde Jehovah de joden uit gevangenschap in Babylon?

16. Leg uit waarom Jehovah’s belangstelling voor het verdedigen van zijn naam niet betekent dat hij koel en zelfzuchtig is.

17. Waaruit blijkt dat Jehovah voor de Israëlieten streed nadat ze het land Kanaän waren binnengetrokken? Geef voorbeelden.

18. (a) Waarom kunnen we dankbaar zijn dat Jehovah niet veranderd is? (b) Wat zal er gebeuren wanneer de in Genesis 3:15 beschreven vijandschap haar climax bereikt?

19. (a) Illustreer waarom het feit dat God vernietigingskracht gebruikt ons dichter tot hem kan trekken. (b) Welke uitwerking dient Gods bereidheid om te strijden op ons te hebben?

20. Wanneer we bijbelverslagen over goddelijke oorlogvoering lezen die we misschien niet helemaal begrijpen, wat dient dan onze reactie te zijn en waarom?

21. Wat is Jehovah in wezen voor een God, hoewel hij soms „een manlijk persoon van oorlog” is?

[Illustratie op blz. 58]

Bij de Rode Zee betoonde Jehovah zich „een manlijk persoon van oorlog”