BOEK

Het Hebreeuwse woord se′fer (boek; brief; geschrift) houdt verband met het werkwoord sa·far′ (tellen) en het zelfstandig naamwoord so·fer′ (schrijver; afschrijver) (Ge 5:1; 2Sa 11:15; Jes 29:12; 22:10; Re 5:14; Ne 13:13). Wanneer se′fer in verband met officiële stukken wordt gebruikt, wordt het afwisselend vertaald met „geschreven document”, „certificaat” en „koopakte” (Es 9:25; Jer 3:8; 32:11). Bi′blos is het Griekse woord voor „boek”; het verkleinwoord bi′bli·on (lett.: boekje) wordt vertaald met „boek”, „certificaat” en „boekrol” (Mr 12:26; Heb 9:19, Int; Mt 19:7; Lu 4:17). Het woord „bijbel” is afgeleid van deze Griekse woorden. — Zie BIJBEL.

In de oudheid moeten wij ons een „boek” voorstellen als een tablet of een verzameling tabletten van klei, steen, was, met was bestreken hout, metaal, ivoor of wellicht zelfs een aantal potscherven (ostraka). Met de hand beschreven boekrollen bestonden uit aan elkaar gelijmde bladen van papyrus, perkament (dierehuid, bijv. van schapen en geiten) of het fijnere velijn, dat uit de huid van jonge kalveren werd vervaardigd, en nog later gebruikte men ook linnen en linnenpapier. Uiteindelijk werd een boek een verzameling opeenvolgende met de hand beschreven of bedrukte gevouwen bladen, die aan elkaar gebonden, genaaid, gelijmd, gehecht of anderszins aan elkaar bevestigd werden en aldus één geheel vormden.

Boekrollen werden gewoonlijk slechts aan één kant beschreven (in het geval van leer aan de oorspronkelijk harige zijde). Het schrijfmateriaal werd soms om een stok gewikkeld. De lezer begon dan aan het ene einde te lezen, waarbij hij de boekrol in zijn linkerhand hield en hem om de stok in zijn rechterhand wikkelde (indien hij Hebreeuws las; met Grieks was het omgekeerd). Wanneer het om een lange tekst ging, werd de rol soms om twee stokken gewikkeld. Het middelste gedeelte van de tekst was dan zichtbaar wanneer de rol werd opgepakt om gelezen te worden. Vandaar het woord „volumen” (boekdeel), van het Latijnse woord voor „rol”.

De bladen die voor het vervaardigen van boekrollen werden gebruikt, waren over het algemeen 23-28 cm lang en 15-23 cm breed. Een aantal van deze bladen werd aan elkaar gelijmd. De bladen van de uit de 2de eeuw v.G.T. daterende Dode-Zeerol van Jesaja waren echter met linnen garen aan elkaar genaaid. De rol bestond uit zeventien stroken perkament van gemiddeld 26,2 cm hoog en in breedte variërend van ongeveer 25,2-62,8 cm, met een totale lengte van 7,3 m — althans in de staat waarin de boekrol thans bewaard gebleven is. In de tijd van Plinius was voor boekrollen (zoals ze waarschijnlijk in de handel verkrijgbaar waren) twintig bladen een gangbare lengte. Een Egyptische papyrusrol met de kroniek van de regering van Ramses II, de zogenoemde Papyrus Harris, is 40,5 m lang. Voor het Evangelie van Markus zou een rol van 5,8 m lengte nodig zijn geweest; voor Lukas een van ongeveer 9,5 m.

De randen van de boekrol werden gelijkgesneden, gladgemaakt met puimsteen en gekleurd, meestal zwart. Daarop werden de rollen in cederolie gedompeld om ze tegen insekten te beschermen. Gewoonlijk werd slechts één kant van de boekrol beschreven, tenzij de binnenkant niet alle informatie kon bevatten. In zo’n geval werd soms ook de buitenkant of de achterkant beschreven. De boekrollen die de profeten Ezechiël en Zacharia en de apostel Johannes in een visioen zagen en die oordeelsboodschappen bevatten, waren aan beide zijden beschreven. Dit duidt erop dat het om belangrijke, omvangrijke en gewichtige oordelen ging. — Ez 2:10; Za 5:1-3; Opb 5:1.

Belangrijke documenten werden verzegeld doordat men een stuk klei of was met de zegelafdruk van de schrijver of de vervaardiger, met behulp van koordjes aan het document bevestigde. De apostel Johannes zag in een visioen een boekrol met zeven zegels, die door degene die op de troon zat, aan het Lam werd overhandigd. — Opb 5:1-7.

Uit oudere tijd daterende boekrollen bevatten klaarblijkelijk wel vier kolommen per bladzijde, terwijl dat in later tijd gewoonlijk  één kolom was. Jeremia’s boekrol bestond uit „bladzijden-kolommen”. Zodra er drie of vier kolommen waren voorgelezen, sneed koning Jojakim dat gedeelte van de rol af en wierp het in het vuur (Jer 36:23). De 17 stroken van de Dode-Zeerol van Jesaja bevatten 54 kolommen tekst met gemiddeld ongeveer 30 regels per kolom.

De Israëlieten hebben zich tot in de tijd van de christelijke gemeente van boekrollen bediend. De verslagen in de oude staatsarchieven van Israël en Juda, alsook de geïnspireerde geschriften van Jehovah’s profeten, werden soms boeken genoemd, hoewel het in werkelijkheid boekrollen waren. — 1Kon 11:41; 14:19; Jer 36:4, 6, 23.

In iedere synagoge — een ontwikkeling na de Babylonische ballingschap — werden boekrollen van de Heilige Schrift bewaard en gebruikt, en elke sabbat werd er in het openbaar uit voorgelezen (Han 15:21). Jezus zelf las uit zo’n boekrol voor, die er mogelijk net zo uitzag als de Dode-Zeerol van Jesaja. — Lu 4:15-20.

Codex. Schijnbaar gebruikten de christenen tot aan het einde van de 1ste eeuw G.T. voornamelijk de boekrol. De apostel Johannes schreef rond het jaar 96 G.T. de Openbaring, en dit boek wordt in hoofdstuk 22 vers 18 en 19 als een boekrol aangeduid. Boekrollen waren echter zeer onhandig. Toen de codex zich eenmaal van tablet- tot boekvorm had ontwikkeld, werd duidelijk dat de codex ten opzichte van de traditionele boekrol vele voordelen had. Er zou bijvoorbeeld voor de vier evangeliën een rol van 31,7 m nodig zijn, terwijl één compacte codex ze alle kon bevatten. Bovendien was de codex zuiniger in het gebruik, omdat een blad aan beide zijden beschreven kon worden. Verder vormde de band een uitstekende bescherming voor de inhoud en konden allerlei verwijzingen snel worden opgezocht zonder dat men moeizaam een boekrol moest hanteren.

Het was moeilijk, zelfs praktisch onmogelijk, om in een grote boekrol snel bepaalde uitspraken op te zoeken. Alles wijst erop dat de christenen al gauw de codex, de boekvorm, gingen gebruiken, omdat zij erin geïnteresseerd waren het goede nieuws te prediken en zij bij hun studie van de bijbel en hun prediking vele schriftplaatsen raadpleegden en ernaar verwezen.

Met betrekking tot het feit dat de christenen, zo zij de codex niet hebben uitgevonden, toch vooropgingen in het gebruik ervan, schrijft professor E. J. Goodspeed in zijn boek Christianity Goes to Press (1940, blz. 75, 76) het volgende: „In de vroege kerk waren mannen die zich zeer goed bewust waren van de rol die het geschreven woord in de Grieks-Romeinse wereld speelde en die in hun ijver om de christelijke boodschap in die wereld te verbreiden, alle technieken op het gebied van publikatie aangrepen, niet alleen de verouderde, traditionele, maar ook de nieuwste en vooruitstrevendste, en zij maakten er bij hun christelijke propaganda ten volle gebruik van. Hierbij begonnen zij op grote schaal gebruik te maken van de codex, de boekvorm, die nu algemeen gebruikt wordt. Hun evangelie was geen slechts voor ingewijden bestemde geheime leer, maar moest van de daken verkondigd worden, en zij beijverden zich om datgene te doen wat het devies was van de profeten uit de oudheid: ’Verkondigt goede tijdingen!’ Het schrijven van de afzonderlijke evangeliën was natuurlijk iets groots, maar het bijeenbrengen ervan en de publikatie ervan als verzameling was een heel andere zaak en bijna net zo belangrijk als in sommige gevallen het schrijven ervan.” — Zie ook Encyclopædia Britannica, 1971, Deel 3, blz. 922.

Zich baserend op een toespraak van professor Sanders (gepubliceerd in de University of Michigan Quarterly Review, 1938, blz. 109) verschaft professor Goodspeed in zijn boek (blz. 71) een tabel waarin de vondsten van klassieke en christelijke werken uit de 2de, 3de en 4de eeuw G.T. met elkaar vergeleken worden wat betreft het aantal boekrol- en codexfragmenten in elke categorie:

       KLASSIEK   CHRISTELIJK

Eeuw  Rol  Codex  Rol  Codex

II                1?    4

III   291  20     9?   38

IV     26  49     6?   64

Over de vroege christenen als uitgevers van boeken zegt professor Goodspeed vervolgens (blz. 78): „Zij gingen in dit opzicht niet alleen met hun tijd mee, maar zij waren die zelfs vooruit, en de uitgevers in de daaropvolgende eeuwen hebben hen nagevolgd.” Verder stelt hij vast (blz. 99): „Het was de publikatie van de bijbel die in de tweede eeuw de aanzet had gegeven tot de ontwikkeling van de boekvorm voor letterkundige doeleinden, en het was de publikatie van de bijbel die de aanzet gaf tot de uitvinding van de boekdrukkunst.”

Professor Goodspeed zegt zelfs (blz. 81): „De merkwaardige opmerking in II Tim. 4:13 ’Breng . . . de boeken mee, vooral de perkamenten’ (de Griekse woorden zijn biblia, membranas) doet de vraag rijzen of met de biblia niet de boekrollen met joodse geschriften bedoeld worden en met de membranai de nieuwere codices van christelijke oorsprong — de evangeliën en Paulus. Het betoog van professor Sanders doet sterk vermoeden dat ten noorden van de Middellandse Zee de codices aanvankelijk hoogstwaarschijnlijk van perkament waren gemaakt.”

Palimpsesten. Aangezien schrijfmateriaal duur en schaars was, werd het soms meer dan eens gebruikt. De oorspronkelijke tekst van de handschriften werd gedeeltelijk afgekrabd of afgewassen of door middel van preparaten zoveel mogelijk verwijderd. Papyrushandschriften werden afgewassen als de inkt nog vrij vers was; anders werd de oorspronkelijke tekst doorgestreept of werd de achterkant gebruikt om erop te schrijven. Bij sommige palimpsesten is de oorspronkelijke tekst als gevolg van atmosferische inwerking en andere omstandigheden soms weer duidelijk genoeg te voorschijn gekomen om ontcijferd te worden. Daaronder bevinden zich een aantal bijbelhandschriften, bijvoorbeeld de bekende Codex Ephraemi. Deze bevat, onder een tekst die waarschijnlijk in de 12de eeuw werd geschreven, een mogelijkerwijs uit de 5de eeuw G.T. daterend gedeelte van de Hebreeuwse en de Griekse Geschriften.

Andere boeken waarnaar in de bijbel wordt verwezen. In de bijbel wordt naar een aantal niet-geïnspireerde boeken verwezen. Sommige dienden als bronnenmateriaal voor de geïnspireerde schrijvers. Sommige zijn klaarblijkelijk uittreksels uit hofannalen. Hier volgen er enkele:

Het boek van de Oorlogen van Jehovah. Dit door Mozes in Numeri 21:14, 15 aangehaalde boek was ongetwijfeld een betrouwbaar historisch verslag over de oorlogen van Gods volk. Mogelijk begon het met Abrahams succesvolle veldtocht tegen de vier geallieerde koningen die Lot en zijn gezin gevangengenomen hadden. — Ge 14:1-16.

Het boek van Jasjar. Dit boek wordt in Jozua 10:12, 13 aangehaald, waar wordt beschreven hoe Jozua tijdens zijn strijd met de Amorieten de zon en de maan gebiedt stil te staan. Het wordt nogmaals genoemd in 2 Samuël 1:18-27, waar het gedicht „De boog” opgetekend staat, een klaaglied over Saul en Jonathan. Men gelooft daarom dat het boek een verzameling gedichten, liederen en andere geschriften was. Ze waren ongetwijfeld van groot historisch belang en waren onder de Hebreeën wijd verbreid.

Andere historische geschriften. In de boeken Koningen en Kronieken worden verscheidene andere niet-geïnspireerde historische geschriften genoemd. Een daarvan is „het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Israël” (1Kon 14:19; 2Kon 15:31). „Het boek van de aangelegenheden van de tijden der koningen van Juda” is het overeenkomstige boek voor de koningen van het zuidelijke koninkrijk, te beginnen met Salomo’s zoon Rehabeam. Er wordt vijftienmaal naar verwezen (1Kon 14:29; 2Kon 24:5). Een verslag over de regering van Salomo wordt in 1 Koningen 11:41 „het boek van de aangelegenheden van Salomo” genoemd.

Toen Ezra na de ballingschap de Kronieken samenstelde en schreef, verwees hij op zijn minst veertienmaal naar andere bronnen, onder andere naar „het Boek van de koningen van Israël”, „het verslag van de aangelegenheden van de dagen van koning David” en „het Boek van de koningen van Juda en van Israël” (1Kr 9:1; 27:24; 2Kr 16:11; 20:34; 24:27; 27:7; 33:18). Ezra verwees ook naar boeken van vroegere geïnspireerde schrijvers (1Kr 29:29; 2Kr 26:22; 32:32). Hij vermeldt dat andere profeten van Jehovah verslagen hebben opgetekend die niet in de geïnspireerde Heilige Schrift zijn opgenomen (2Kr 9:29; 12:15; 13:22). Nehemia maakt melding van een „boek van de aangelegenheden der tijden” (Ne 12:23). De bijbel maakt ook gewag van Perzische hofannalen. Deze bevatten onder andere berichten omtrent diensten die aan de koning werden bewezen, zoals Mordechai’s onthulling van een samenzwering. — Ezr 4:15; Es 2:23; 6:1, 2; 10:2.

De wijze schrijver van het boek Prediker waarschuwt voor de eindeloze reeks boeken die het produkt zijn van wereldse redeneringen en die in strijd zijn met de goddelijke wijsheid, boeken die hun lezers er niet toe aansporen de ware God te vrezen en zijn geboden te onderhouden (Pr 12:12, 13). Een voorbeeld hiervan was te vinden in Efeze, waar spiritisme en demonisme hoogtij vierden. Nadat daar het goede nieuws omtrent Christus was gepredikt, brachten de gelovigen hun boeken over magische kunsten, naar schatting met een totale waarde van 50.000 zilverstukken (indien denarii: $37.200), bijeen en verbrandden ze in het openbaar. — Han 19:19.

In Exodus 17:14 lezen wij Jehovah’s bevel om zijn oordeel tegen Amalek in „het boek” te schrijven, waaruit blijkt dat de geschriften van Mozes, de eerste waarvan bekend is dat ze geïnspireerd zijn, in 1513 v.G.T. reeds gedeeltelijk voorhanden waren.

Hier volgen nog enkele andere verwijzingen naar de bijbel of bijbelgedeelten: „Het boek van het verbond” (Ex 24:7). Dit bevatte klaarblijkelijk de in Exodus 20:22–23:33 uiteengezette wetgeving; en „de boekrol” (Heb 10:7), ofte wel de Hebreeuwse Geschriften.

Figuurlijk gebruik. Het begrip „boek” wordt herhaaldelijk in figuurlijke zin gebruikt, bijvoorbeeld in de uitdrukkingen „uw [Gods] boek” (Ex 32:32), „gedenkboek” (Mal 3:16) en „boek des levens” (Fil 4:3; Opb 3:5; 20:15). Blijkbaar zijn dit in wezen allemaal dezelfde boeken, dat wil zeggen, ze zijn alle Gods gedenk-„boek” waarin de namen staan van degenen die met eeuwig leven (in de hemel of op aarde) beloond zullen worden. In Gods „boek” worden de namen klaarblijkelijk voorwaardelijk ingeschreven, want de bijbel geeft te kennen dat iemands naam uit het boek ’uitgewist’ kan worden (Ex 32:32, 33; Opb 3:5). Dus alleen als iemand getrouw blijft, blijft zijn naam in het boek staan. — Zie LEVEN.