Psalmen
ג [Giʹmel]
2 Machtig zal zijn nageslacht worden op de aarde.+
ד [Daʹleth]
Wat het geslacht der oprechten betreft, het zal gezegend worden.+
ה [Heʼ]
3 Waardevolle dingen en rijkdom zijn in zijn huis;+
ו [Waw]
En zijn rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.+
ז [Zaʹjin]
4 Hij is stralend opgegaan in de duisternis als een licht voor de oprechten.*+
ח [Chēth]
Hij is goedgunstig en barmhartig en rechtvaardig.+
ט [Tēth]
כ [Kaf]
6 Want nimmer zal hij aan het wankelen worden gebracht.+
ל [Laʹmedh]
De rechtvaardige zal tot onbepaalde tijd in de herinnering blijven.+
מ [Mem]
7 Zelfs voor slecht nieuws zal hij niet bevreesd zijn.+
נ [Noen]
Zijn hart is standvastig,+ ertoe gebracht zich op Jehovah te verlaten.+
ס [Saʹmekh]
8 Zijn hart is onwrikbaar;+ hij zal niet bevreesd zijn,+
ע [ʽAʹjin]
Totdat hij op zijn tegenstanders neerziet.+
פ [Peʼ]
9 Hij heeft wijd en zijd uitgedeeld;* hij heeft aan de armen gegeven.+
צ [Tsa·dhēʹ]
Zijn rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.+
ק [Qōf]
Zijn eigen hoorn zal met heerlijkheid worden verhoogd.+
ר [Rēsj]