Een lied der opgangen.
130 Uit de diepten heb ik u aangeroepen, o Jehovah.+
2 O Jehovah, hoor toch mijn stem.+
Mogen uw oren opmerkzaam blijken te zijn ten opzichte van de stem van mijn smekingen.+
3 Indien gij op dwalingen zoudt letten,+ o Jah,
O Jehovah, wie zou stand kunnen houden?+
4 Want bij u is de [ware] vergiffenis,+
Opdat gij wordt gevreesd.+
5 Ik heb gehoopt, o Jehovah, mijn ziel heeft gehoopt,+
En op zijn woord heb ik gewacht.+
6 Mijn ziel [heeft gewacht] op Jehovah,+
Meer dan wachters op de morgen,+
Die uitzien naar de morgen.+
7 Dat I̱sraël blijve wachten op Jehovah.+
Want er is liefderijke goedheid bij Jehovah,+
En in overvloedige mate is er verlossing bij hem.+
8 En hijzelf zal I̱sraël verlossen van al zijn dwalingen.+