Psalmen
Aan de leider. Een lied, een melodie.
66 Juicht God in triomf toe, [GIJ mensen van] heel de aarde.*+
3 Zegt tot God: „Hoe vrees inboezemend zijn uw werken!+
Wegens de overvloed van uw sterkte zullen uw vijanden kruipend tot u komen.+
4 [De mensen van] heel de aarde zullen zich voor u neerbuigen,+
En zij zullen u bezingen met melodieën, zij zullen uw naam bezingen met melodieën.”+ Sela.
5 Komt en ziet de activiteiten van God.+
De wijze waarop hij met de mensenzonen* handelt, is vrees inboezemend.+
6 Hij heeft de zee veranderd in droog land;+
Door de rivier trokken zij vervolgens te voet naar de overkant.+
Daar verheugden wij ons toen in hem.+
7 Hij heerst door zijn macht tot onbepaalde tijd.+
De natiën slaat hij met zijn eigen ogen gade.+
Wat hen betreft die halsstarrig zijn, laten zij zich niet verheffen in zichzelf.+ Sela.
12 Gij hebt de sterfelijke mens over ons hoofd doen rijden;+
Wij zijn door vuur en door water gegaan,+
En gij hebt ons voorts uitgeleid tot verademing.+
13 Ik zal in uw huis komen met volledige brandoffers;+
Ik zal u mijn geloften betalen,+
14 Waartoe mijn lippen zich hebben geopend+
En die mijn mond gesproken heeft toen ik erg in benauwdheid verkeerde.+
15 Volledige brandoffers van gemeste [dieren] zal ik u brengen,+
Met de offerrook van rammen.
Ik zal een stier opdragen met bokken.+ Sela.