3 Van verre is Jehovah zelf mij verschenen [waarop hij zei:] „En met een liefde tot onbepaalde tijd heb ik u* liefgehad.+ Daarom heb ik u getrokken met liefderijke goedheid.*+
22 Het zijn de liefderijke goedheden*+ van Jehovah, dat wij niet aan ons eind zijn gekomen,+ want zijn barmhartigheden zullen stellig geen eind nemen.+
18 Wie is een God* als gij,+ een die dwaling vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding+ van het overblijfsel van zijn erfdeel?+ Hij zal stellig niet voor eeuwig aan zijn toorn vasthouden, want hij schept behagen in liefderijke goedheid.*+