24 Voorts verscheen Jehovah hem in die nacht en zei: „Ik ben de God van uw vader A̱braham.+ Wees niet bevreesd,+ want ik ben met u, en ik wil u zegenen en uw zaad vermenigvuldigen vanwege mijn knecht A̱braham.”+
9 Daarna zei Ja̱kob: „O God van mijn vader A̱braham en God van mijn vader I̱saäk,+ o Jehovah, gij die tot mij zegt: ’Keer terug naar uw land en naar uw bloedverwanten en ik zal u stellig weldoen’,+
32 ’Ik ben de God van uw voorvaders, de God van A̱braham en van I̱saäk en van Ja̱kob.’+ Door beving bevangen, durfde Mo̱zes geen nader onderzoek in te stellen.