11 Maar het zevende jaar dient gij het onbebouwd te laten en gij moet het braak laten liggen,+ en de armen van uw volk moeten ervan eten; en wat zij overlaten, dient het wild gedierte van het veld te eten.+ Aldus dient gij te doen met uw wijngaard en uw olijfbosje.
34 In die tijd zal het land zijn sabbatten afbetalen, al de dagen dat het woest ligt, terwijl GIJ in het land van UW vijanden zijt. In die tijd zal het land sabbat houden, daar het zijn sabbatten moet terugbetalen.+