25 Indien gij geld leent aan mijn volk, aan de ellendige in uw nabijheid,+ moogt gij niet als een woekeraar worden jegens hem. GIJ moogt hem geen rente opleggen.+
7 Daarom ging mijn hart in mij overleggen, en ik begon aanmerkingen te maken+ op de edelen en de regenten en zei vervolgens tot hen: „Woeker+ eist GIJ, ieder van zijn eigen broeder.”
Voorts belegde ik vanwege hen een grote vergadering.+
13 Op woeker heeft hij gegeven+ en rente heeft hij genomen,+ en hij zal beslist niet blijven leven. Al deze verfoeilijkheden heeft hij gedaan.+ Hij zal beslist ter dood worden gebracht. Op hem zal zijn eigen bloed neerkomen.+