21 Daarna zei I̱sraël tot Jo̱zef: „Zie, ik ben stervende,+ maar God zal stellig met ulieden blijven en U naar het land van UW voorvaders terugbrengen.+
16 En waaraan nu zal men weten dat ik gunst gevonden heb in uw ogen, ik en uw volk? Is het niet doordat gij met ons meegaat,+ doordat ik en uw volk van elk ander volk dat op de oppervlakte van de aardbodem is, onderscheiden zijn?”+
20Ingeval gij tegen uw vijanden ten strijde trekt en gij werkelijk paarden en strijdwagens ziet,+ een volk talrijker dan gij, moogt gij niet bevreesd voor hen zijn; want Jehovah, uw God, die u uit het land Egy̱pte heeft opgevoerd,+ is met u.+
10 Wees niet bevreesd, want ik ben met u.+ Blik niet rond, want ik ben uw God.*+ Ik wil u sterken.+ Ik wil u werkelijk helpen.+ Ik wil u werkelijk stevig vasthouden met mijn rechterhand+ van rechtvaardigheid.’+