13 Gij moogt uw naaste niet afzetten,+ en gij moogt niet roven.+ Het loon van een loonarbeider dient niet de gehele nacht bij u te blijven tot de morgen.+
13 Wee degene die zijn huis bouwt,+ maar niet met rechtvaardigheid, en zijn opperzalen, maar niet met gerechtigheid, door uitbuiting van zijn naaste die om niet dient en wiens loon hij hem niet geeft;+
8 Toen het avond+ werd, zei de meester van de wijngaard tot zijn opzichter: ’Roep de werkers en betaal hun hun loon,+ te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’