28 Ingeval er hongersnood+ komt in het land, ingeval er pestilentie+ komt, ingeval er [koren]brand+ en meeldauw,+ sprinkhanen+ en kakkerlakken+ komen; ingeval hun vijanden+ hen belegeren in het land van hun poorten*+ — enigerlei plaag en enigerlei kwaal+ —
9 ’Ik sloeg ulieden met [koren]brand en meeldauw.+ UW tuinen en UW wijngaarden vermenigvuldigden zich, maar UW vijgenbomen en UW olijfbomen werden telkens door de rups verslonden;+ toch zijt GIJ niet tot mij teruggekeerd’,+ is de uitspraak van Jehovah.
17 ik sloeg ulieden met [koren]brand+ en met meeldauw+ en met hagel,+ ja, al het werk van UW handen,+ en er was niemand bij U [die zich] tot mij [keerde]’,+ is de uitspraak van Jehovah —