2 dat dezen oorlog voerden tegen Be̱ra, de koning van So̱dom,+ en tegen Bi̱rsa, de koning van Gomo̱rra,+ Si̱neab, de koning van A̱dma,+ en Seme̱ber, de koning van Ze̱boïm,+ en de koning van Be̱la (dat wil zeggen Zo̱ar).+
8 Hoe kan ik u opgeven, o E̱fraïm?+ [Hoe] kan ik u overleveren, o I̱sraël?+ Hoe kan ik u maken als A̱dma?+ [Hoe] kan ik u gelijkstellen met Ze̱boïm?+ Mijn hart is in mij veranderd;+ terzelfder tijd is al mijn mededogen ontvlamd.