3 Al wie er onder U is van heel zijn volk, moge zijn God met hem blijken te zijn.+ Laat hij dus optrekken naar Jeru̱zalem, dat in Ju̱da is, en het huis van Jehovah, de God van I̱sraël — hij is de [ware] God*+ — hetwelk in Jeru̱zalem was, herbouwen.+
8 De uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, die de verdrevenen van I̱sraël bijeenbrengt,+ is: „Ik zal nog anderen tot hem bijeenbrengen, buiten degenen van hem die reeds bijeengebracht zijn.”+
37 ’Ziet, ik breng hen bijeen uit al de landen waarheen ik hen in mijn toorn en in mijn woede en in grote verontwaardiging verdreven zal hebben,+ en ik wil hen terugbrengen naar deze plaats en hen in zekerheid doen wonen.+
13 En ik wil hen uitleiden+ uit de volken en hen bijeenbrengen uit de landen en hen op hun grond brengen+ en hen weiden op de bergen van I̱sraël, bij de stroombeddingen en bij alle woonplaatsen van het land.+