26 Als met de schaamte van een dief wanneer hij betrapt wordt, zo hebben die van het huis van I̱sraël zich beschaamd gevoeld,+ zij, hun koningen, hun vorsten en hun priesters en hun profeten.+
7 Voorts zeiden zij tot elkaar: „Komt, en laten wij het lot werpen,+ opdat wij weten door wiens schuld wij deze rampspoed hebben.”+ En zij bleven het lot werpen, en ten slotte viel het lot op Jo̱na.+
3 Maar Pe̱trus zei: „Anani̱as, waarom heeft Sa̱tan+ u verstout* de heilige geest+ te bedriegen+ en in het geheim iets van de prijs van het veld achter te houden?