9 En wanneer GIJ de oogst van UW land binnenhaalt, moogt gij de rand van uw veld niet geheel afoogsten, en de nalezing van uw oogst moogt gij niet bijeenrapen.+
2 Na verloop van tijd zei Ruth, de Moabitische, tot Nao̱mi: „Laat mij alstublieft naar het veld gaan en tussen de [schoven] aren lezen,+ achter wie dan ook aan in wiens ogen ik gunst moge vinden.” Zij dan zei tot haar: „Ga, mijn dochter.”