17 Waar gij sterft, zal ik sterven,+ en daar zal ik begraven worden. Moge Jehovah zo met mij doen en daaraan toevoegen+ indien iets anders dan de dood scheiding zou maken tussen mij en u.”
17 Vervolgens zei hij: „Wat is het woord dat hij tot u gesproken heeft? Verberg het alstublieft niet voor mij.+ Moge God zo met u doen en zo moge hij daaraan toevoegen+ indien gij voor mij een woord zoudt verbergen van heel het woord dat hij tot u gesproken heeft.”
13 En tot Ama̱sa dient GIJ te zeggen:+ ’Zijt gij niet mijn been en mijn vlees? Zo moge God met mij doen en zo moge hij daaraan toevoegen+ indien gij niet voor altijd de legeroverste voor mijn aangezicht zult worden in plaats van Jo̱ab.’”+