18 Op die dag sloot* Jehovah met A̱bram een verbond+ en zei: „Aan uw zaad wil ik dit land geven,+ van de rivier van Egy̱pte tot de grote rivier, de rivier de E̱u̱fraat:+
31 En ik wil uw grens bepalen van de Rode Zee tot aan de zee van de Filistijnen en van de wildernis tot aan de Rivier;*+ want ik zal de bewoners van het land in UW hand geven, en gij* zult hen stellig van voor uw aangezicht verdrijven.+
24 Elke plaats die UW voetzool zal betreden, zal de UWE worden.+ Van de wildernis tot* de Li̱banon, van de Rivier, de rivier de E̱u̱fraat, tot de westelijke* zee zal UW grens zich uitstrekken.+
3 Voorts versloeg Da̱vid Hadade̱zer,*+ de zoon van Re̱hob, de koning van Zo̱ba,+ juist toen deze op weg was om zijn macht aan de rivier de E̱u̱fraat*+ te herstellen.
16 Toen de Syriërs zagen dat zij voor I̱sraël de nederlaag hadden geleden,+ zonden zij voorts boden en lieten de Syriërs die in de streek van de Rivier* waren,+ uitrukken, met So̱fach,* de legeroverste van Hadade̱zer, aan hun spits.