9 (In vroeger tijden in I̱sraël zou de man wanneer hij God ging zoeken, aldus hebben gesproken: „Komt, en laten wij naar de ziener+ gaan.” Want de profeet van vandaag werd in vroeger tijden gewoonlijk ziener genoemd.)
29 Wat de aangelegenheden van Da̱vid, de koning, betreft, de eerste en de laatste, zie, ze staan beschreven in de woorden van de ziener*+ Sa̱muël en in de woorden van de profeet Na̱than+ en in de woorden van de visionair* Gad,+