9 Hierop zei Jehovah tot Mo̱zes: „Zie! Ik kom tot u in een donkere wolk,+ opdat het volk kan horen wanneer ik met u spreek,+ en zij ook tot onbepaalde tijd geloof in u mogen stellen.”+ Toen berichtte Mo̱zes de woorden van het volk aan Jehovah.
9 En het hoofd van E̱fraïm is Sama̱ria,+ en het hoofd van Sama̱ria is de zoon van Rema̱lia.+ Indien gijlieden geen geloof hebt, zult GIJ in dat geval niet lang bestaan.”’”+
6 Bovendien is het zonder geloof+ onmogelijk [hem] welgevallig te zijn,+ want wie tot God nadert, moet geloven dat hij bestaat+ en dat hij de beloner*+ wordt van wie hem ernstig zoeken.+