9 ’Ik sloeg ulieden met [koren]brand en meeldauw.+ UW tuinen en UW wijngaarden vermenigvuldigden zich, maar UW vijgenbomen en UW olijfbomen werden telkens door de rups verslonden;+ toch zijt GIJ niet tot mij teruggekeerd’,+ is de uitspraak van Jehovah.
17 ik sloeg ulieden met [koren]brand+ en met meeldauw+ en met hagel,+ ja, al het werk van UW handen,+ en er was niemand bij U [die zich] tot mij [keerde]’,+ is de uitspraak van Jehovah —