16 En waaraan nu zal men weten dat ik gunst gevonden heb in uw ogen, ik en uw volk? Is het niet doordat gij met ons meegaat,+ doordat ik en uw volk van elk ander volk dat op de oppervlakte van de aardbodem is, onderscheiden zijn?”+
21 Toen aten de zonen van I̱sraël die uit de Ballingschap waren teruggekeerd [het],+ alsook een ieder die zich van de onreinheid van de natiën van het land afgezonderd en zich bij hen gevoegd had,+ om Jehovah, de God van I̱sraël, te zoeken.+
2 En het zaad van I̱sraël zonderde zich voorts van alle buitenlanders*+ af,+ en zij traden toe en deden belijdenis+ van hun eigen zonden+ en de dwalingen van hun vaderen.+