14 En nu zijt GIJ opgestaan in de plaats van UW vaderen als het broed van zondige mannen, om de brandende toorn van Jehovah tegen I̱sraël nog te vergroten.*+
6 Want onze vaderen hebben ontrouw gehandeld+ en hebben gedaan wat kwaad was in de ogen van Jehovah, onze God,+ zodat zij hem hebben verlaten+ en hun aangezicht van de tabernakel van Jehovah hebben afgewend+ en [die] de nek hebben toegekeerd.