40 En zij zullen stellig hun eigen dwaling belijden+ en de dwaling van hun vaderen, [begaan] in hun ontrouw, toen zij zich ontrouw jegens mij gedroegen, ja, ook toen zij in verzet tegen mij wandelden.+
19 Toen zei Jo̱zua tot A̱chan: „Mijn zoon,* geef alstublieft heerlijkheid aan Jehovah, de God van I̱sraël,+ en doe voor hem belijdenis,+ en vertel mij+ alstublieft: Wat hebt gij gedaan? Verberg+ het niet voor mij.”