35 ’Het mij en mijn organisme aangedane geweld zij op Ba̱bylon!’, zal de inwoonster van Si̱on zeggen.+ ’En mijn bloed zij op de bewoners van Chalde̱a!’, zal Jeru̱zalem zeggen.”+
19 Wreekt UZELF niet,+ geliefden, maar geeft plaats aan de gramschap;+ want er staat geschreven: „Aan mij is de wraak; ik wil vergelden, zegt Jehovah.”*+
20 Wees vrolijk over haar, o hemel,+ ook GIJ heiligen+ en GIJ apostelen+ en GIJ profeten, want God heeft voor U de gerechtelijke straf van haar geëist!”+