12En op die dag+ zult gij stellig zeggen: „Ik zal u danken, o Jehovah, want [hoewel] gij vertoornd op mij werdt, heeft uw toorn zich geleidelijk afgewend,+ en gij zijt mij gaan vertroosten.+
8 In een vloed van verontwaardiging heb ik mijn aangezicht slechts een ogenblik voor u verborgen,+ maar met liefderijke goedheid* tot onbepaalde tijd wil ik u barmhartig zijn”,+ heeft uw Terugkoper,+ Jehovah, gezegd.
17 Want alhoewel de verdrukking van korte duur+ en licht is, bewerkt ze voor ons een heerlijkheid die van een steeds meer allesovertreffend gewicht is en eeuwig duurt,+