5 En het moet geschieden dat ingeval hij schuldig wordt met betrekking tot een van deze dingen, dan moet hij belijden+ in welk opzicht hij gezondigd heeft.
13 Da̱vid zei+ nu tot Na̱than: „Ik heb tegen Jehovah gezondigd.”+ Hierop zei Na̱than tot Da̱vid: „Jehovah laat van zijn kant uw zonde werkelijk voorbijgaan.+ Gij zult niet sterven.+
22 Bovendien sprak Hizki̱a tot het hart+ van al de levieten die met voortreffelijk doorzicht handelden jegens Jehovah.+ Zij dan aten het vastgestelde feestmaal zeven dagen lang,+ terwijl zij gemeenschapsoffers offerden+ en belijdenis deden+ aan Jehovah, de God van hun voorvaders.