13 Da̱vid zei+ nu tot Na̱than: „Ik heb tegen Jehovah gezondigd.”+ Hierop zei Na̱than tot Da̱vid: „Jehovah laat van zijn kant uw zonde werkelijk voorbijgaan.+ Gij zult niet sterven.+
12 En zodra hij erdoor in benauwdheid geraakte,+ vermurwde hij het aangezicht van Jehovah, zijn God,+ en hij bleef zich zeer verootmoedigen+ wegens de God van zijn voorvaders.