19 Toen zei koning Zedeki̱a tot Jeremi̱a: „Ik ben bang voor de joden die naar de Chaldeeën zijn overgelopen,+ dat men mij wel eens in hun hand zou kunnen geven en zij mij werkelijk smadelijk zouden bejegenen.”+
28 En wordt niet bevreesd+ voor hen die het lichaam doden maar de ziel* niet kunnen doden; doch vreest veeleer hem+ die én ziel én lichaam kan vernietigen in Gehe̱nna.*+
75 En Pe̱trus herinnerde zich het woord dat Jezus had gesproken, namelijk: „Voordat een haan kraait, zult gij mij driemaal verloochenen.”+ En hij ging naar buiten en weende bitter.+