28 Toen zei hij: „Uw naam zal niet langer Ja̱kob worden genoemd, maar I̱sraël,*+ want gij hebt met God en met mensen gestreden,*+ zodat gij ten laatste hebt gezegevierd.”
10 Vervolgens zei God tot hem: „Uw naam is Ja̱kob.+ Uw naam dient niet langer Ja̱kob te worden genoemd, maar I̱sraël zal uw naam worden.” Toen gaf hij hem de naam I̱sraël.+
34 Tot op deze dag doen zij naar hun vroegere religies.+ Er waren er geen die Jehovah vreesden+ en geen die deden naar zijn* inzettingen en zijn* rechterlijke beslissingen+ en de wet+ en het gebod+ dat Jehovah geboden had aan de zonen van Ja̱kob,+ die hij de naam I̱sraël gaf,+