12En op die dag+ zult gij stellig zeggen: „Ik zal u danken, o Jehovah, want [hoewel] gij vertoornd op mij werdt, heeft uw toorn zich geleidelijk afgewend,+ en gij zijt mij gaan vertroosten.+
13 Zoals een man* die door zijn eigen moeder voortdurend getroost wordt, zo zal ikzelf ulieden voortdurend troosten;+ en in het geval van Jeru̱zalem zult GIJ getroost worden.+