13 Wat de overgeblevenen van I̱sraël+ betreft, zij zullen geen onrecht doen,+ noch leugen spreken,+ noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden;+ want zijzelf zullen weiden en zich werkelijk uitgestrekt neerleggen,+ en er zal niemand zijn die [hen] doet beven.”+