14 „Keert terug, o GIJ afvallige zonen”,+ is de uitspraak van Jehovah. „Want ikzelf ben de echtgenoot-eigenaar van ulieden geworden;+ en ik wil U nemen, één uit een stad en twee uit een familie, en ik wil U naar Si̱on brengen.+
19 En ik wil u voor onbepaalde tijd aan mij verloven,+ en ik wil u aan mij verloven in rechtvaardigheid en in gerechtigheid en in liefderijke goedheid* en in barmhartigheden.+