18 En gijlieden zult stellig weer [het onderscheid] zien* tussen een rechtvaardige en een goddeloze,+ tussen iemand die God dient en iemand die hem niet heeft gediend.”+
25 Maar A̱braham zei: ’Kind, bedenk dat gij uw goede dingen gedurende uw leven ten volle hebt ontvangen, maar La̱zarus op overeenkomstige wijze de schadelijke dingen. Nu wordt hij hier echter vertroost, maar gij lijdt folterende pijnen.+