3 Al wie er onder U is van heel zijn volk, moge zijn God met hem blijken te zijn.+ Laat hij dus optrekken naar Jeru̱zalem, dat in Ju̱da is, en het huis van Jehovah, de God van I̱sraël — hij is de [ware] God*+ — hetwelk in Jeru̱zalem was, herbouwen.+
20 Gaat uit van Ba̱bylon!+ Snelt weg van de Chaldeeën.+ Zegt het zelfs voort met het geluid van vreugdegeroep, laat dit horen.+ Doet het uitgaan tot aan het uiteinde der aarde.+ Zegt: „Jehovah heeft zijn knecht Ja̱kob teruggekocht.+