17 Over de verkeerdheid van zijn onrechtvaardige winst+ werd ik verontwaardigd, en ik ging ertoe over hem te slaan, [mijn aangezicht] verbergend,+ terwijl ik verontwaardigd was. Maar hij bleef als een afvallige+ de weg van zijn hart bewandelen.
22 Want mijn volk is dwaas.+ Van mij hebben zij geen notitie genomen.+ Zij zijn onwijze zonen; en zij zijn niet degenen die verstand hebben.+ Wijs zijn zij om kwaad te doen, maar om goed te doen hebben zij feitelijk geen kennis.+