2 En GIJ, van UW kant, moogt geen verbond sluiten met de bewoners van dit land.+ Hun altaren dient GIJ af te breken.’+ Maar GIJ hebt niet naar mijn stem geluisterd.+ Waarom hebt GIJ dit gedaan?+
8 Bovendien hebt gij niet gehoord,+ noch hebt gij geweten, noch is van die tijd af uw oor geopend geweest. Want ik weet maar al te goed dat gij zonder mankeren trouweloos bleeft handelen,+ en een ’overtreder van de buik af’* zijt gij genoemd.+
21 Ik sprak tot u tijdens uw onbezorgdheid.+ Gij hebt gezegd: ’Ik zal niet gehoorzamen.’+ Dit was uw weg van uw jeugd af, want gij hebt mijn stem niet gehoorzaamd.+
10 En wij hebben de stem van Jehovah, onze God, niet gehoorzaamd* door in zijn wetten te wandelen die hij ons heeft voorgelegd door de hand van zijn knechten, de profeten.+
8 Laten wij ook geen hoererij beoefenen, zoals sommigen van hen hoererij hebben bedreven,+ met als enig resultaat dat zij vielen, drieëntwintigduizend [van hen] op één dag.+