9 De uitdrukking van hun gezicht* alleen al getuigt in feite tegen hen,+ en over hun zonde als die van So̱dom vertellen zij zowaar.+ Zij hebben [ze] niet verheeld. Wee hun ziel! Want zij hebben zichzelf rampspoed aangedaan.+
16 Dit heeft Jehovah gezegd: „Staat stil op de wegen en ziet en vraagt naar de paden van weleer, waar toch de goede weg is,+ en wandelt daarop+ en vindt rust voor UW ziel.”+ Maar zij bleven zeggen: „Wij zullen niet wandelen.”+