39 Wat de overgeblevenen onder U betreft, zij zullen wegens hun dwaling wegrotten+ in de landen van UW vijanden. Ja, ook wegens de dwalingen van hun vaderen+ zullen zij met hen wegrotten.
6 En ik zei vervolgens:+ „O mijn God, ik voel mij werkelijk beschaamd+ en verlegen+ om mijn aangezicht tot u op te heffen, o mijn God, want onze dwalingen+ zelf zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden zelfs tot aan de hemel toe.+
26 Maar zij werden ongehoorzaam+ en weerspannig tegen u+ en bleven uw wet achter hun rug werpen,+ en uw eigen profeten, die tegen hen getuigden om hen tot u terug te brengen,+ doodden zij;+ en zij bleven daden van grote minachting bedrijven.+
18 „Ik heb beslist gehoord hoe E̱fraïm zich beklaagde:+ ’Gij hebt mij gecorrigeerd, opdat ik mij zou laten corrigeren,+ gelijk een kalf dat niet afgericht is.+ Doe mij terugkeren en ik zal prompt terugkeren,+ want gij zijt Jehovah, mijn God.+