25 Indien gij geld leent aan mijn volk, aan de ellendige in uw nabijheid,+ moogt gij niet als een woekeraar worden jegens hem. GIJ moogt hem geen rente opleggen.+
35 Blijft daarentegen UW vijanden liefhebben en blijft goeddoen en lenen+ [zonder rente], zonder te hopen iets terug te krijgen, en UW beloning zal groot zijn, en GIJ zult zonen van de Allerhoogste zijn,+ want hij is goed+ jegens de ondankbaren en goddelozen.