15 Gijlieden moogt bij de rechtspraak geen onrecht begaan. Gij moogt de geringe niet partijdig bejegenen,+ en gij moogt de persoon van een groot man niet begunstigen.+ Met gerechtigheid dient gij uw volksgenoot te richten.
16 Vervolgens gebood ik toentertijd UW rechters en zei: ’Bij het afnemen van een verhoor* [inzake geschillen] tussen UW broeders, moet GIJ rechtvaardig oordelen+ tussen een man en zijn broeder of zijn inwonende vreemdeling.+
16 ’Dit zijn de dingen die GIJ dient te doen:+ Spreekt de waarheid met elkaar.*+ Oefent met waarheid en het oordeel van vrede UW rechtspraak uit in UW poorten.+