2 En [indien] gij stellig zult zweren:+ ’Zo waar Jehovah leeft in waarheid,+ in gerechtigheid en in rechtvaardigheid!’,+ dan zullen de natiën zich in hem* werkelijk zegenen en in hem zich beroemen.”+
18 Wie is een God* als gij,+ een die dwaling vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding+ van het overblijfsel van zijn erfdeel?+ Hij zal stellig niet voor eeuwig aan zijn toorn vasthouden, want hij schept behagen in liefderijke goedheid.*+