5 Vervolgens zei A̱chab tot Oba̱dja: „Trek het land door naar alle waterbronnen en naar alle stroomdalen. Misschien vinden wij groen gras,+ opdat wij de paarden en muildieren in het leven kunnen houden en er niet [nog meer] van de beesten afgesneden behoeven te worden.”+
4 Hoe lang dient het land te blijven verwelken+ en zelfs de plantengroei van heel het veld te verdorren?+ Wegens de slechtheid van hen die erin wonen, zijn de dieren en de vliegende schepselen weggevaagd.+ Want zij hebben gezegd: „Hij ziet onze toekomst niet.”
3 Daarom zal het land in rouw gedompeld zijn+ en een ieder die erin woont, zal moeten wegkwijnen met het wild gedierte van het veld en met het vliegende schepsel des hemels, en ook de vissen der zee zelf zullen vergaderd worden [in de dood].*+