4„Indien gij zoudt willen terugkeren, o I̱sraël,” is de uitspraak van Jehovah, „moogt gij zelfs tot mij terugkeren.+ En indien gij uw walgelijkheden vanwege mij* zult wegdoen,+ dan zult gij niet als vluchteling gaan.
6 „En wat u betreft, tot uw God dient gij terug te keren,+ doordat gij liefderijke goedheid*+ en gerechtigheid+ in acht neemt; en hoop voortdurend op uw God.+