17 Gij moogt het huis van uw naaste niet begeren.* Gij moogt de vrouw van uw naaste niet begeren,+ noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn stier, noch zijn ezel, noch iets wat uw naaste toebehoort.”*+
2 A̱chab dan sprak tot Na̱both en zei: „Geef+ mij toch uw wijngaard,+ opdat die mij tot moestuin+ kan dienen, want hij ligt dicht bij mijn huis; en laat ik u er een betere wijngaard voor in de plaats geven. [Of,] indien het goed is in uw ogen,+ wil ik u geld geven overeenkomstig de prijs van deze.”
11 Geeft hun alstublieft vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbosjes en hun huizen terug,+ en het honderdste deel* van het geld en het koren, de nieuwe wijn en de olie, dat GIJ als rente van hen eist.”
8 Wee hun die huis aan huis voegen,+ [en] hun die veld aan veld trekken, tot er geen plaats meer overblijft+ en GIJ de enige bewoners in het midden van het land zijt geworden!
29 Het volk van het land zelf heeft er een systeem van afzetterij op na gehouden+ en heeft roof gepleegd,+ en de ellendige en de arme hebben zij slecht behandeld,+ en de inwonende vreemdeling hebben zij zonder gerechtigheid te kort gedaan.’+