27 En de zeven magere en slechte koeien die na deze opkwamen, zijn zeven jaren; en de zeven lege korenaren, verzengd door de oostenwind,+ zullen zeven jaren van hongersnood+ blijken te zijn.
9 ’Ik sloeg ulieden met [koren]brand en meeldauw.+ UW tuinen en UW wijngaarden vermenigvuldigden zich, maar UW vijgenbomen en UW olijfbomen werden telkens door de rups verslonden;+ toch zijt GIJ niet tot mij teruggekeerd’,+ is de uitspraak van Jehovah.