17 Gij moogt het recht van de inwonende vreemdeling+ of van de vaderloze jongen niet buigen,+ en gij moogt het kleed van een weduwe niet tot pand nemen.+
27 De vorm van aanbidding* die van het standpunt van onze God en Vader uit bezien rein+ en onbesmet+ is, is deze: voor wezen*+ en weduwen+ zorgen in hun verdrukking+ en zichzelf onbevlekt+ van de wereld bewaren.+