12En op die dag+ zult gij stellig zeggen: „Ik zal u danken, o Jehovah, want [hoewel] gij vertoornd op mij werdt, heeft uw toorn zich geleidelijk afgewend,+ en gij zijt mij gaan vertroosten.+
14 „’Zie! Er komen dagen’,+ is de uitspraak van Jehovah, ’en ik zal stellig het goede woord dat ik betreffende het huis van I̱sraël+ en betreffende het huis van Ju̱da gesproken heb, ten uitvoer brengen.+
3 „Dit heeft Jehovah gezegd: ’Ik wil naar Si̱on terugkeren+ en in het midden van Jeru̱zalem verblijven;+ en Jeru̱zalem zal stellig de stad van waarachtigheid* worden genoemd,+ en de berg van Jehovah+ der legerscharen, de heilige berg.’”+