2 Ingeval een man een gelofte aan Jehovah doet+ of een eed zweert+ waardoor hij zijn ziel een gelofte van onthouding+ oplegt, mag hij zijn woord niet breken.+ Overeenkomstig alles wat zijn mond is uitgegaan, dient hij te handelen.+
4 Telkens wanneer gij een gelofte aan God doet, aarzel niet die te betalen,+ want er is geen behagen in de verstandelozen.+ Wat gij plechtig belooft, betaal dat.+
9 Daarom [zei] Pe̱trus tot haar: „Waarom zijt GIJ [beiden] overeengekomen de geest van Jehovah* op de proef te stellen?+ Zie! De voeten van hen die uw man hebben begraven, zijn aan de deur, en zij zullen u uitdragen.”