Leviticus 19:18 Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift — met studieverwijzingen 18 Gij moogt geen wraak nemen,+ noch een wrok koesteren tegen de zonen van uw volk;+ en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.+ Ik ben Jehovah. Deuteronomium 32:35 Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift — met studieverwijzingen 35 Mij is de wraak en de vergelding.+Te bestemder tijd zal hun voet wankelen,+Want de dag van hun ongeluk is nabij,+En de gebeurtenissen die hun wachten, haasten zich werkelijk.’+ Psalm 99:8 Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift — met studieverwijzingen 8 O Jehovah, onze God, gijzelf hebt hun geantwoord.+Een God* die vergiffenis schenkt, zijt gij voor hen gebleken,+En een die wraak oefent met betrekking tot hun beruchte daden.+ Nahum 1:2 Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift — met studieverwijzingen 2 Jehovah is een God* die exclusieve toewijding eist+ en wraak neemt; Jehovah neemt wraak+ en is tot woede geneigd.*+ Jehovah neemt wraak op zijn tegenstanders,+ en hij toont zich gebelgd jegens zijn vijanden.+ Hebreeën 10:30 Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift — met studieverwijzingen 30 Want wij kennen hem die gezegd heeft: „Aan mij is de wraak; ik wil vergelden”;*+ en wederom: „Jehovah* zal zijn volk oordelen.”+
18 Gij moogt geen wraak nemen,+ noch een wrok koesteren tegen de zonen van uw volk;+ en gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.+ Ik ben Jehovah.
35 Mij is de wraak en de vergelding.+Te bestemder tijd zal hun voet wankelen,+Want de dag van hun ongeluk is nabij,+En de gebeurtenissen die hun wachten, haasten zich werkelijk.’+
8 O Jehovah, onze God, gijzelf hebt hun geantwoord.+Een God* die vergiffenis schenkt, zijt gij voor hen gebleken,+En een die wraak oefent met betrekking tot hun beruchte daden.+
2 Jehovah is een God* die exclusieve toewijding eist+ en wraak neemt; Jehovah neemt wraak+ en is tot woede geneigd.*+ Jehovah neemt wraak op zijn tegenstanders,+ en hij toont zich gebelgd jegens zijn vijanden.+
30 Want wij kennen hem die gezegd heeft: „Aan mij is de wraak; ik wil vergelden”;*+ en wederom: „Jehovah* zal zijn volk oordelen.”+